Hoofdstuk 46
==
‘Het koffiezetapparaat heeft vandaag last van bronchitis,’ zei Karen toen ze om kwart voor negen twee cappuccino’s op een tafeltje in de kantine neerzette. De schuimige kop deed nog het meest aan een grijs afrokapsel denken.
‘Hoe kunnen we dit drinken?’ zei Lou.
‘Ik denk dat we moeten wachten tot ze dood zijn.’ Karen haalde een envelop uit haar tas. ‘Drie maal raden wat dit is.’
‘Een envelop,’ zei Lou nadat ze er langdurig naar had gekeken. ‘Maar ik kan me natuurlijk vergissen, dus zeg jij het maar. Briefpapier was nooit mijn sterkste vak op school.’
‘Het is mijn ontslagbrief,’ verklaarde Karen.
Lou hapte naar adem als een goudvis op het droge, maar er kwam geen geluid uit haar mond.
‘Ik weet dat jij ook binnenkort ontslag neemt, en ik kan hier niet zonder jou blijven werken,’ vervolgde Karen. ‘Dan zou ik gek worden.’
‘Maar...’
‘Luister naar de rest,’ zei Karen terwijl ze een stopteken maakte met haar hand. ‘Ik heb de laatste tijd veel nagedacht. Ik vind de cursus die ik doe echt geweldig. Al het andere kan er nog niet bij in de schaduw staan. Ik heb dus besloten om mijn flat op te zeggen en weer bij mijn ouders op de boerderij te gaan wonen, zodat zij op de kinderen kunnen passen. Ik ga fulltime studeren. Het is allemaal jouw schuld, Lou Winter. Je moet het goedmaken door de bacon van mijn vader te kopen, anders sta ik straks op straat met twee uitgehongerde kinderen.’
‘Jeetje, jij laat er geen gras over groeien!’ zei Lou met een warme glimlach. ‘Mijn zakenpartner gaat je vader vandaag bellen om een afspraak te maken. Ik ben echt dolblij dat je het roer helemaal omgooit.’ Ze sloeg haar armen om de jongere vrouw heen.
‘Zonder jou zou het hier niet meer hetzelfde zijn, Lou,’ zei Karen een beetje verdrietig. ‘Bovendien gaat Stan over een jaar met pensioen, en Zoe heeft een sollicitatiegesprek. En ik ben het echt spuugzat om zodra ik hier binnenkom die bek met schroot te zien.’
‘Ik weet het,’ verzuchtte Lou. Ze probeerde de koffie, met een neus vol belletjes en een schuimsnor als resultaat.
‘Jij ziet er vandaag trouwens erg sprankelend uit,’ zei Karen nadat ze Lou goed had bekeken. Had jij soms gisteravond een afspraakje met die mysterieuze man van je?
‘O ja?’ zei Lou. Ze had zich die nacht geweldig sprankelend gevoeld na een bijzonder fijne droom over haar leuke avond. Ze hoopte dat Karen geen gedachten kon lezen.
‘Ik sprankel zelf ook,’ bekende Karen. ‘Charlie en ik zijn niet langer “gewoon vrienden”. Hij neemt me mee naar Parijs als ik hier weg ben.’ Haar grijns was zo breed als het Kanaal.
‘O, Karen, wat fijn voor je,’ zei Lou oprecht blij. ‘Ik hoop dat hij je gelukkig maakt.’
‘Tot nu toe in elk geval wel. Ik wilde dat jij een leuke man zou vinden, Lou. Iemand die jou het gevoel kan geven waar ik op dit moment zo van geniet.’ Ze keek Lou vertederd aan.
‘Waarom denk je in hemelsnaam dat ik niet gelukkig ben?’ vroeg Lou met een quasiverontwaardigd glimlachje.
‘O Lou,’ zei Karen alleen maar. Ze ging staan en kneep in Lous schouder. ‘Kom op, laten we ons in de vlammen van de hel storten voordat Jaws haar handlangers naar de kantine stuurt om ons te halen.’
==
Zoe stond voor de deur van de afdeling op hen te wachten. Ze zag er beeldig uit in een trendy blauw topje en een zwarte rok.
‘Ik heb een sollicitatiegesprek in de lunchpauze,’ fluisterde ze. ‘Het is bij een advocatenkantoor, hier om de hoek. Ze betalen veel beter. Het is zo spannend!’
‘Fijn voor je, schat,’ zei Lou. ‘Je ziet er erg mooi uit.’
‘Dank je. Mijn kleren hebben een vermogen gekost. Ik hoop dat ik ze tot twaalf uur schoon kan houden. Ik drink vandaag geen koffie, ik neem geen enkel risico!’
Volgens de klok was het één minuut voor negen. Nicola wierp hun een satanische blik toe omdat ze geen minuut eerder waren verschenen dan nodig was. Ze wist dat ze het deden om haar te ergeren, maar ze zou ze nog wel krijgen. Ze drukte Zoe’s vrolijke stemming de kop in door haar op te dragen om de inktpatronen van alle printers op hun afdeling bij te vullen. Het was zo ongeveer het smerigste klusje waarmee ze haar kon opzadelen.
‘Maar dat is niet mijn taak!’ protesteerde Zoe ontzet. ‘En ik heb een nieuw truitje aan.’
‘Is het binnenkort niet tijd voor je functioneringsgesprek?’ zei Nicola, zonder zich iets aan te trekken van de tranen in Zoe’s ogen. Er bestond geen twijfel over het bedekte dreigement.
Zoe sjokte verslagen naar de kast met kantoorbenodigdheden, net toen Stan om negen minuten over negen binnen kwam stormen. Nu had Nicola iemand anders op wie ze haar ongenoegen kon botvieren. Hij was nog bezig zijn jas uit te trekken toen ze stilletjes naar hem toe sloop.
‘Kan ik je even spreken, Stanley? In de stolp, graag.’
Nederig volgde Stan haar naar de vergaderruimte met perspex muren. Er stonden geen stoelen in de stolp, alleen een tafel op stahoogte. De ruimte was bedoeld voor korte besprekingen, zodat mensen niet lekker onderuit konden gaan zitten en in slaap vielen.
Lou voelde medelijden opkomen toen ze Stans gebogen rug zag. Hij was altijd zo fier en zelfverzekerd geweest, totdat Nicola’s schrikbewind was begonnen. Het klopte gewoon niet dat ze iemand op deze manier van zijn waardigheid kon beroven, dacht Lou, terwijl ze met samengeknepen ogen toekeek hoe meedogenloos Nicola hem vernederde. Ze zag dat Stan zijn zaak bepleitte, duidelijk tevergeefs, en met een zakdoek het zweet van zijn tomaatrode gezicht wiste. Het leek wel of hij met een witte vlag wapperde.
‘O nee! Er zit inkt op mijn truitje,’ jammerde Zoe. Tranen biggelden over haar wangen.
En op dat moment, geconfronteerd met een huilende Zoe en een zwetende Stan, kookte er iets over in Lous binnenste, als melk in een pan.
Wanneer ben ik iemand geworden die het niet voor anderen opneemt? vroeg ze zich opeens af. Sinds wanneer kijk ik de andere kant op als ik zie dat hulpeloze mensen worden vertrapt? Al jarenlang had ze zich door allerlei lieden steeds verder in een hoek laten drijven, ze had zich ervan laten weerhouden om te protesteren als dingen haar niet lekker zaten, ze had zich laten intimideren, ze had zich door anderen de wet laten voorschrijven. En wanneer ben ik opgehouden mezelf te verdedigen? Shirley Hamster zou de vloer met haar hebben aangeveegd. Ze was niet langer een dochter van haar vader. Nou, het was de hoogste tijd om weer Shaun Casserly’s eigen grote meid te worden.
‘En nu ben ik het zat.’ Lou beende vastberaden naar de deur, zoals Lou Casserly vroeger had gedaan om Shirley Hamster in het speelkwartier mores te leren. Oké, op haar leeftijd kon ze iemand niet langer een dreun verkopen, maar er waren andere manieren om op je strepen te staan.
‘Wat ga je doen, Lou?’ riep Karen.
‘Iets wat ik al eeuwen geleden had moeten doen,’ riep ze over haar schouder terug.
==
Ze had geluk, want het hoofd Personeelszaken, Bob Bowman, keek met een vies gezicht naar het kleverige zwarte goedje in een plastic bekertje dat de koffiemachine van de directie voor hem had uitgebraakt.
‘Mr. Bowman, kan ik u even spreken?’ vroeg Lou.
‘Officieel of officieus?’ vroeg hij toen hij Knabbel van de boekhouding herkende. Of was het Babbel?
‘Allebei,’ antwoordde ze.
Hij keek op zijn horloge. ‘Goed. Ik heb tien minuten. Wil je koffie?’
‘Liever niet,’ zei Lou, en ze liep achter hem aan naar zijn kantoor.
Bob Bowman liet zich in zijn dure leren stoel vallen. Hij nodigde Lou uit om aan de andere kant van het bureau plaats te nemen.
‘Wat kan ik voor je doen, eh... Lou? Zo heet je toch?’
‘Lou Winter, ja,’ zei ze. ‘Nou...’ Ze haalde diep adem en flapte eruit: ‘Het gaat over de boekhouding. Iemand moet iets doen aan het management van onze afdeling. Zoe moet de inktpatronen bijvullen en nu zitten er vlekken op haar nieuwe truitje, Stan is aan het eind van zijn Latijn vanwege de dienstregeling van zijn bus, Karen gaat weg...’
Lous stem stierf weg toen ze zag dat Bob Bowmans ogen een glazige uitdrukking kregen. Ze kon het hem niet kwalijk nemen, want retorisch gezien stelde haar toespraak weinig voor. Lou zuchtte en streek over haar voorhoofd.
‘Het spijt me, Mr. Bowman, het zal u wel als onzinnig gekrakeel in de oren klinken, maar ik ben een beetje te oud om lijdzaam toe te kijken als mensen die ik aardig vind en bewonder stelselmatig worden gekoeioneerd. Als je eenmaal van school bent, denk je dat je nooit meer met pesterijen te maken zult krijgen, maar op de werkvloer kan een pestkop evenveel ellende veroorzaken, zo niet meer.’
Bob Bowman spitste zijn oren toen hij hoorde dat het over pesten ging, want hij was de laatste tijd overgevoelig voor dit woord. Hij had het altijd met onschuldige plagerijen geassocieerd, totdat hij met eigen ogen had gezien hoe zwaar zijn kleindochter Natalie het te verduren kreeg op school. Hij ging rechtop zitten.
‘Ga verder,’ zei hij. ‘Begin bij het begin. Wat is het probleem?’
‘Jaws, eh... Nicola Pawson, dát is het probleem. Onze assistente komt met angst en beven naar het werk. Ze is nu bezig met het bijvullen van de inktpatronen, en ze kan haar kleren net zo goed weggooien.’
‘Dat hoort de technische dienst toch te doen?’ vroeg Bob Bowman met een ongelovige uitdrukking op zijn gezicht.
‘Ja, natuurlijk, maar wanneer je wordt bedreigd met een slechte beoordeling als je het niet doet, dan doe je het, ja toch? Zo gaat het in elk geval bij ons op de afdeling. Wist u dat mijn collega Karen Harwood-Court vandaag haar ontslag indient omdat het haar totaal aan carrièremogelijkheden ontbreekt? Roger Knutsford stuurt haar werk omdat ze veel competenter is dan zijn eigen team, terwijl zijn medewerkers twee keer zoveel verdienen, en Karen heeft daar nog nooit officieel erkenning voor gekregen. Nu gaat ze dus ergens werken waar ze haar kwaliteiten wél waarderen en waar haar wél carrièrekansen worden geboden. En dan heb ik het nog niet eens over alle mensen die na korte tijd zijn vertrokken of overspannen thuiszitten. Soms vraag ik me af of onze afdeling onzichtbaar is voor de rest van het bedrijf.’
Bob Bowman hing aan haar lippen. Hij verstijfde bij het horen van de naam Roger Knutsford. Die behoorde tot het slag executives dat zich als zonnekoningen liet vereren; ze gingen altijd met de eer strijken omdat ze een leger van onderdanen hadden die hen overeind hielden, die hun fouten verdoezelden en die hun gat afveegden. Die lui konden nog geen scheet laten zonder een assistent die hen hielp. Het zou niet de eerste keer zijn dat hij moest ingrijpen omdat Knutsford er een puinhoop van had gemaakt door volkomen ongeschikte mensen aan te nemen. Wonderlijk genoeg leek hij nooit iemand aan te nemen die niet van het vrouwelijke geslacht, aantrekkelijk en single was.
‘Dan kom ik bij Stan. U kent Stan, neem ik aan.’ Lou haalde diep adem. Het was belangrijk om dit niet te verknoeien.
‘Stan Mirfield? Ja, ik ken Stan. Hoe lang werkt hij al voor ons?’ Bob Bowman probeerde het te bedenken.
‘Honderdvijftig jaar,’ zei Lou zonder een spier te vertrekken.
Hij glimlachte. ‘Ja, zo zal het voor hem wel voelen.’
‘U weet dat hij uitstekend werk levert, Mr. Bowman.’
‘Hij gaat toch binnenkort met pensioen?’
‘Over minder dan een jaar,’ zei Lou. ‘Als hij het tenminste haalt.’
‘Waarom zou hij het niet halen?’ zei Bowman. ‘Hij is toch niet ziek?’
‘Hij woont buiten de stad, hij heeft geen auto en de dienstregeling van zijn bus is veranderd, dus hij moet als een krankzinnige naar kantoor rennen om op tijd op het werk te zijn. Als hij niet overlijdt aan een hartaanval, vermoordt Nicola hem door hem onder druk te zetten. De manier waarop zij hem behandelt is niet alleen bespottelijk, het grenst aan sadisme.’
‘Hoe laat komt hij dan op kantoor?’ vroeg hij.
‘Volgens mij is hij nooit later dan kwart over negen binnen geweest.’
‘Maar elke afdeling kan flexibele werktijden hanteren. Iedereen kan ergens tussen acht en tien uur beginnen. Waarom maakt hij daar dan geen gebruik van?’
‘Jaws...’ oeps ‘... Nicola zegt dat ze het er met u over heeft gehad en dat u er geen toestemming voor wilde geven.’
‘Dat heb ik nooit gezegd!’ Bob Bowman was hevig verontwaardigd.
‘Stan werkt harder dan alle anderen. Hij werkt door in de lunchpauze, hij blijft langer, en toch telt dat kennelijk niet.’ Lou voelde de boosheid opwellen uit haar binnenste. ‘Het zijn fijne, hardwerkende mensen die worden getiranniseerd door een vrouw die een klimaat van ellende en angst heeft gecreëerd, en ze kunnen er niets aan doen. Ze kunnen kiezen tussen weggaan of elke dag vernederd worden. O, ze pakt het heel slim aan; ze pest op zo’n geraffineerde manier dat niemand durft te klagen zonder zichzelf belachelijk te maken. Heeft er nooit iemand gekeken naar het verloop op afdelingen waar Nicola Pawson heeft gewerkt? Geloof me, je hebt het gevoel dat je in een boek van George Orwell terecht bent gekomen!’
Het zat Bob Bowman dwars dat hij van gebrek aan flexibiliteit was beschuldigd, vooral omdat hij er met hand en tand voor had gevochten om flexibele werktijden in te voeren, in een poging om de goede medewerkers die door incompetente idioten als Roger Knutsford waren weggejaagd terug te krijgen. Bob Bowman wás Mr. Flexibel!
Hij drukte een knopje van zijn intercom in om iets tegen zijn pa te zeggen. ‘Fiona, vraag of Stan Mirfield hier om halftien kan zijn, alsjeblieft. En Nicola Pawson om elf uur.’
Lou raakte bijna in paniek. ‘Alstublieft, Mr. Bowman, Stan wil geen problemen veroorzaken. Zijn leven op kantoor is zo al moeilijk genoeg. Nicola maakt hem kapot. Ik ben niet gekomen om nog meer stress voor hem te veroorzaken.’
‘Nee, dat zal niet gebeuren,’ zei Bowman beslist. De laatste tijd had hij een paar mensen een gunstige regeling voor vervroegde pensionering aangeboden, en op de een of andere manier had hij Stan Mirfield daarbij over het hoofd gezien. Hij was van plan om dat het komende uur meer dan goed te maken en het aan de directie voor te leggen voordat die in opstand kon komen.
‘Ik weet dat ik van insubordinatie beschuldigd kan worden,’ zei Lou, zelf verbaasd dat ze het woord kende en het niet eens had verhaspeld, zoals haar gewoonte was. ‘Ik weet ook dat ik niet van u kan eisen dat dit onder ons blijft, vandaar dat ik mijn kaarten op tafel leg. En dan ga ik ook weg. Nu. Vandaag nog. Ik heb er genoeg van.’
Het was een impulsieve beslissing, maar het voelde goed.
‘Dat is niet nodig,’ zei hij vriendelijk.
‘Ik wil hier niet meer werken, Mr. Bowman,’ zei Lou. ‘Ik bedank u voor het salaris dat u me door de jaren heen hebt uitbetaald, maar ik wil niet langer voor een bedrijf werken dat pestkoppen en tirannen de hand boven het hoofd houdt, en de mensen die een positieve bijdrage aan de werkprestaties kunnen leveren niet eens ziet staan.’
Hij knikte. ‘Ik ga ervoor zorgen dat er dingen veranderen. Maar ik weiger te accepteren dat je ontslag neemt. Denk er alsjeblieft nog eens over na...’
‘Nee, mijn besluit staat vast,’ zei Lou. Voor haar gevoel waren Nicola en haar carrière op de boekhouding zojuist in een afvalcontainer gegooid, en die zou Tom nu heel ver weg brengen, helemaal naar de afvalstortplaats aan de andere kant van Leeds. De opluchting die ze voelde was met geen pen te beschrijven.
Bowman keek naar de vastberaden uitdrukking op haar gezicht. Alweer die ellendige Roger Knutsford! Hij zou de eerste zijn om op zijn professionele graf te dansen als er een eind kwam aan zijn bewind. En hij zou zelf eens gaan uitzoeken hoe het precies zat met die Jaws eh... Nicola Pawson.
‘Ik zorg wel dat de juridische afdeling niet moeilijk gaat doen omdat je je niet aan de opzegtermijn hebt gehouden.’ Bob Bowman stak zijn hand naar haar uit en die drukte ze. ‘Maar we kunnen mensen zoals jij goed gebruiken, Lou. Denk er alsjeblieft nog een keer over na.’
‘Er werken genoeg mensen zoals ik voor dit bedrijf, Mr. Bowman,’ zei Lou. ‘Aardige, hardwerkende mensen die beter verdienen.’
==
Alle ogen waren op haar gericht toen ze terugkwam op de afdeling. Nicola schoot meteen op haar af, glimlachend als een krokodil met een val in zijn bek.
‘Ik wil je nú spreken in de stolp, als je het niet erg vindt.’
‘Nee,’ zei Lou, en ze liep straal langs haar heen naar Zoe. Ze gaf haar een dikke knuffel en zei in haar oor: ‘Maak tijdens je sollicitatiegesprek maar een grapje over die vlek, dan is het ijs wel gebroken. Veel succes, lieve schat.’
Vervolgens omhelsde ze Stan, en ze fluisterde zonder dat iemand het kon horen: ‘Ik wens je een heerlijke vakantie. En geniet van je pensioen. Laat je niet kisten!’
Tot slot sloeg ze haar armen om de stomverbaasde Karen heen. ‘Het was een ramp om met je samen te werken. Geef ze van katoen, meid. Ik spreek je binnenkort over de worstjes van je vader.’
Toen pakte Lou Winter haar jas en haar tas. Ze keek Nicola aan met ogen die glinsterden als groen ijs. Er viel voor Nicola niets in die ogen te lezen, geen sympathie, geen verachting, helemaal niets. Ze keurden Nicola en haar schroothoop bijna geen blik waardig – en dat was voor de jongere vrouw de ultieme kwelling. Ze stond klaar om Lous afscheidswoorden verbaal te pareren. Lou zou ongetwijfeld iets hatelijks zeggen, iets, wat dan ook, waardoor ze eindelijk de confrontatie met haar kon aangaan. Maar Lou Winter zei niets. Ze liep met haar hoofd hoog geheven de deur uit, ongebroken, ongeslagen – de koningin van het ongesproken woord.
==
Er werd in het hele gebouw nog maanden over gepraat, tot lang nadat Stan Mirfield met een ongekend royale pensioenregeling afscheid had genomen. En wat had Knabbel van de boekhouding in hemelsnaam gedaan dat Roger Knutsford opeens een paar toontjes lager was gaan zingen? Volgens de roddelpraatjes was Nicola in een soort hondsdolle kettingzaag veranderd, en hadden ze haar met geweld in bedwang moeten houden om haar kalmerende middelen toe te dienen. En waarom was ze zo onverwacht overgeplaatst naar Manchester?